Transcriptie dvd - 21 scènes - 1:07:23

Scène 1 - Inleiding (0:00:00 - 0:02:00)

Nic Balthazar

Nic Balthazar: “Misschien is het wel waar dat niets zo belangrijk is als onderwijs. Het bepaalt voor jonge mensen niet enkel wie ze zijn, maar vooral ook wie ze zullen kunnen worden. Toch gaapt er in Vlaanderen een kloof tussen de leerlingen met de sterkere leerresultaten en de leerlingen met de zwakke resultaten. En zo’n kloof is niet goed voor de samenleving. Het zorgt als snel voor gevoelens van teleurstelling, uitsluiting, frustratie… Het dichten van die kloof is dan ook een prachtige uitdaging. Niet enkel voor de scholen, maar eigenlijk voor een hele samenleving.

Op heel wat plaatsen in Vlaanderen zien we dat het eigenlijk wel kan lukken. Dat heel wat scholen erin slagen om iedereen mee te krijgen, ook zij die wat zwakker aan de start zijn verschenen. Met vallen en opstaan misschien, maar gelijke onderwijskansen, het heeft iedereen in het onderwijs aan het denken gezet.

In deze film zien we een aantal scholen, die zullen vertellen over hun aanpak. Over hun successen, maar ook over hun mislukkingen. Deze DVD wil dan ook vooral een soort discussie-DVD zijn. Hij is gebaseerd op ervaringen van scholen die met het GOK-decreet aan de slag zijn gegaan, maar evenzeer relevant voor scholen die nog geen GOK-middelen hebben gekregen. Want dat is uiteindelijk de bedoeling: GOK in alle scholen.”

[Collage van fragmenten uit diverse scènes]

“Een kind moet iets kunnen leren, door iemand die in staat is om het kind tot leren te brengen”.

“Ze kijken wel naar de kinderen als ze bijvoorbeeld niet mee kunnen”

“De maatschappij stapt de school binnen onder de vorm van leerlingen”

“GOK is voor de hele school”

“Onze GOK-werking is onze schoolwerking”

“Ik denk dat GOK doordringt, of door zou moeten dringen tot de kern van onderwijs: de klas zelf”

“Het kan confronterend zijn. Het geeft je eventjes het gevoel van *slik*”

“Je moet geloven in kinderen. Als je dat niet hebt, vergeet het”

 

Scène 2 (0:02:00 – 0:10:10)

Nic Balthazar: “Beginnen bij het begin. Een juiste inschatting van de lokale situatie en knelpunten is natuurlijk absoluut essentieel voor een goed schoolbeleid. Maar in een eerste reportage zullen we al meteen zien dat zoiets lang niet evident is, zeker niet in scholen met een heel verscheiden leerlingenpopulatie. Toch zien we dat deze school er absoluut voor blijft gaan, gewoon omdat ze een goeie kijk hebben op hun eigen situatie en potentiële mislukkingen hebben weten om te turnen in uitdagingen en op termijn, wie weet, in overwinningen. Maar dat heb je dus nodig: een goeie beginsituatie-analyse.”

An Burm, GOK-coördinator: “Het decreet zegt: GOK = Gelijke Onderwijskansen. Wij op school noemen het Goed Onderwijs Kan.“

Lien Balieu, coördinator 1ste graad: “En we menen het ook echt. Goed onderwijs kan. Daar zijn wij echt 100% van overtuigd”

An Burm, GOK-coördinator: “Dat is een heel groot werk, omdat je niet alleen de leerkrachten bevraagt, ofwel individueel, ofwel via de vakgroep. Wij hebben ook alle leerlingen bevraagd, en in ons geval zijn dat er 600, en de ouders. Dat bevragen is niet veel werk, maar dat moet allemaal geteld en verwerkt worden. Dan pas heb je een beeld van wat de noden van je school zijn. Want die worden niet bepaald door wat denken wij, de leerkrachten, dat onze leerlingen nodig hebben. Dat geven de leerlingen zeker zelf ook wel aan - en hun ouders."

Paul Derkinderen, leerlingenbegeleider: “De school moet veel meer doen dan alleen maar les geven. Ik zou zeggen, de laatste 20 jaar is de positie van de school in de maatschappij enorm veranderd. De maatschappij is veranderd en daardoor moest de school wel veranderen, want de maatschappij stapt de school binnen onder de vorm van leerlingen. Dus je moet mee evolueren.”

[Leerkracht voor de klas:] “Dit is schip 1 met een kapitein. Jullie gaan straks een kapitein aanduiden in deze groep. Dit zijn allemaal zinnetjes waar je een toneeltje of een uitbeelding van moet maken.”

An Burm, GOK-coördinator: “Ons probleem was eigenlijk ook: we willen heel veel en waar leggen we prioriteiten. En dan hebben we de prioriteiten gekozen die volgens ons – dus de mensen die GOK-lesuren hadden en de directie - en uit de bevraging via de enquête naar boven zijn gekomen: taalvaardigheidsonderwijs en preventie en remediëring. In een school met 56 nationaliteiten, kinderen die niet thuis wonen en kinderen die veel hebben meegemaakt is dat evident.”

“Onze leerlingen moeten zich goed in hun vel voelen en alles wat we daar voor nodig hebben om dat te bereiken, grijpen wij aan.”

Paul Derkinderen, leerlingenbegeleider: “Want de school is voor veel van onze leerlingen een vertrouwde en een veilige omgeving. Er zijn nogal wat leerlingen die spijt hebben dat het vakantie is, omdat ze het thuis niet zo goed en gemakkelijk hebben.”

[Cursist]  : “Alle leerkrachten hier zijn fantastisch. Zeker en vast. Ik heb geen probleem met de leerkrachten.”

An Burm, GOK-coördinator: “Als je je goed voelt in je vel, dan functioneer je beter. Voor ons op school betekent dat, dan presteer je beter, dan leer je beter. En leren is meer dan cijfers halen op een toets of een taak of een rapport. Leren is veel meer dan dat. Leren is omgaan met elkaar. Leren is leren leren. Leren is een volwaardig mens worden in de maatschappij. Dat is leren. Dat is onderwijs.”

Michael Belmans, leraar (Loopdictee): “Ik ben een loopdictee aan’t doen momenteel. Dat houdt in, ze zitten in groepjes van twee. De ene loopt naar ginder om een stukje tekst te lezen. Hij mag zelf kiezen hoe lang. Hij loopt dan terug naar zijn partner, dicteert dat aan zijn partner en loopt dan terug. En zo proberen ze heel de tekst te dicteren. En af en toe wordt er gewisseld. Dan gaan we kijken op het einde hoeveel fouten er in staan en of de boodschap goed is overgekomen. Met de leerlingen van deze afdeling is het soms wel moeilijker om die geconcentreerd te houden achter een bureau, twee uur aan een stuk. Dus is dit veel leuker voor hen. Het is ook inspannend. Vinden ze eens leuk dat het eens afwisselt. Dat vind ik ook zelf leuker.”

Yvette Dupuis, lerares: “En de bedoeling is dat jullie nu elke zuil zouden bespreken. Je begint in een klas met een werkvorm toe te passen. Je gaat andere leerkrachten vragen: ‘Kom eens kijken’. Leerkrachten zelf zeggen ook ‘Lukt dat wel?’, ‘Gaat dat wel?’ en ‘Ik zou dat ook wel eens willen proberen’. En dan gaan er meer mensen mee op die kar springen.”

[Leerlingen praten over discriminatie]

Josée De Valck, lerares: “Ik ben al blij dat de leerlingen mij gewoon verstaan. Maar in verhouding is dat ook een stuk GOK: het duidelijk uitleggen en het verstaan, omdat de leerlingen vooral van andere nationaliteiten zijn dan de Belgische. En als u dat GOK wilt noemen, ja, dan ben ik met GOK bezig, maar niet zoals het voorgesteld wordt in alle boekjes en het een beetje voorgeschoteld wordt in de school.”

An Burm, GOK-coördinator: “Het motiveren van collega’s is eigenlijk net hetzelfde als het motiveren van je leerlingen in de klas. Wij herhalen dingen 10 keer, 12 keer, 20 keer als het moet en we denken - en dat blijkt wel zo te werken - dat het een heel makkelijk of een heel handig middel is om dingen te laten doorsijpelen bij de mensen en om een aantal dingen gedaan te krijgen”

Lien Balieu, coördinator 1ste graad: “En naast herhaling ook de mensen het echt laten ondervinden. An heeft het daarjuist ook al gezegd dat we zo nu en dan al eens workshops organiseren en dan laten we de mensen ook werken met de instrumenten die wij ontwikkeld hebben. En dan zijn wij het niet alleen die zeggen: ‘Dat helpt’, ‘Het werkt bij leerlingen’. Dan voelen mensen zelf dat het instrumenten zijn waarmee je je taal eenvoudiger maakt, waarmee je het concreter naar de leerlingen kan overbrengen enzovoort. En dat motiveert ook een aantal mensen.”

An Burm, GOK-coördinator: “Onze leerlingen verdienen een zo goed mogelijk onderwijs. En als wij daarvoor een ontgoocheling moeten meemaken, dan is dat zo. Maar eigenlijk, zoals Lien zegt, er zijn heel veel succesverhalen en die kunnen klein zijn. Dat hoeven geen spectaculaire zaken te zijn. Maar zelfs heel kleine succesverhalen, die zijn heel leuk. En je mag niet vergeten dat het die kleine overwinningen zijn, die maken dat je GOK-beleid op lange termijn wel succes zal hebben.”

Lien Balieu, coördinator 1ste graad: “Wij kijken naar de successen en de ontgoochelingen nemen we mee in ons achterhoofd om de successen nog beter te maken. Maar wij vertrekken niet van ontgoochelingen om te zeggen: ‘Het heeft toch allemaal geen zin’. Wij gebruiken die eigenlijk als springplank om ze om te buigen naar succes.

 

Scène 3 [bel]

 

Scène 4 (0:10:15 – 0:13:17)

Patrick Weyn, hoofd onderwijsnet: “Zo’n beginsituatieanalyse is eigenlijk het begin van elk proces van kwaliteitszorg. En onder het motto ‘meten is weten’ is het ontzettend belangrijk dat een school in het kader van haar zelfevaluatie weet waar zij staat op een bepaald moment, om dan achteraf te kunnen gaan bepalen: ‘Waar willen we naar toe?’

Annemarie Desmyttere, inspecteur: “Scholen hebben testen: methodegebonden testen, testen van CLB, … Zij hebben allerlei testen en die worden wel afgenomen op het niveau van de kinderen, maar vaak vergeten scholen dat ze dat ook eens mogen op niveau van de groep gaan bekijken of op niveau van de school zelf. ‘Waar scoren wij nu telkens goed?’ ‘Op welk terrein scoren wij minder?’ En dan eigenlijk ook gaan bevragen: ‘Heeft dat te maken met onze schoolcontext of heeft dat te maken met de eigenheid van onze bevolking, leerlingenbevolking?’. Als scholen daarrond gaan praten en gaan reflecteren, dan gaan ze eigenlijk een duidelijk beeld krijgen van hun eigen schoolsituatie, kindgericht en schoolgericht. Die analyse moet op beide niveaus gebeuren.”

Patrick Weyn, hoofd onderwijsnet: “Met een goede beginsituatieanalyse kan je ook duidelijk maken welke de urgentie is, van welke knelpunten, en ook welke de sterke punten zijn, welke dingen moeten geborgen worden, welke dingen moeten verankerd worden. En op die manier kan je ook naar je team toe – naar je lerarenteam toe – maar ook naar ouders, naar leerlingen meer gaan duiden: ‘Kijk, hier staan we, en om een bepaalde kwaliteit van school te halen, zullen we samen een aantal stappen moeten zetten.’ Op die manier ga je je draagkracht, je draagvlak eigenlijk, vergroten.”

Jean-Louis Leroy, inspecteur: “Als de beginsituatieanalyse alleen wordt gemaakt door een klein clubje, wordt het daarna altijd heel moeilijk om de andere mensen daarbij te betrekken. Plots gemobiliseerd of betrokken worden bij iets waarbij men in het begin niet aan meegedaan heeft, is altijd moeilijk. Dan komt het heel snel over als iets dat van boven opgelegd wordt, dat van buiten komt. En dan krijg je veel sneller verzet. Als men de mensen meteen van in het begin betrekt bij de zaak, dan weten ze tenminste waar men aan bezig is, wat men wil doen, waar men eventueel wil geraken en dan is de bereidheid om mee te doen, denk ik, ook veel groter.”

Annemarie Desmyttere, inspecteur: “Scholen moeten ontdekken op welke manier en met welke mogelijkheden zij zelf hun school kunnen analyseren. Af en toe met een hulpmiddel, oke, maar het moet op maat van de eigen school gebeuren. En vaak was het gewoon "alle blaadjes moesten bevraagd worden, alles moest op papier staan". Maar het gaat er eigenlijk over dat er een proces op gang gebracht moet worden, een bevragingsproces, een reflectieproces op basis van éigen materiaal”

 

Scène 5 (0:13:07 – 0:20:33)

Nic Balthazar: “Een BSA, een goed uitgevoerde BeginSituatieAnalyse. Het is, zoals het woord het reeds zegt, natuurlijk slechts een begin. Maar het stelt scholen wel in staat om hun doelstelling heel helder te gaan formuleren: concreet, haalbaar en vooral meetbaar. Want het is een beetje zoals bij voetbal natuurlijk. Als je het doel niet eens echt goed ziet staan, is het wat moeilijk om je traptechniek erop in te stellen. En je weet niet eens of je gescoord hebt of niet. In het volgende stukje zullen we bovendien zien dat het heel helder gaan formuleren van je doelstellingen en het goed opvolgen ervan, voor een grotere betrokkenheid zorgt bij ouders en leerlingen. En dat is toch van het allergrootste belang.”

[Ouders en leerlingen:]
“Thuis spreek ik meestal Turks, maar als ze met vragen komen van op school en die zijn in het Nederlands gesteld, dan antwoord ik in het Nederlands”
“Wij spreken geen Nederlands thuis, nee. Wij zijn Franstalig, maar ’t is belangrijk voor ons om Diego naar een Nederlandstalige school te brengen”
“Ik ben Franstalig, mijn man is Nederlandstalig, mijn zoon spreekt Frans thuis, zijn zussen zijn Nederlandstalig en hij gaat in het Nederlands naar de school. En mikmak.”
“Mijn mama is Nederlandstalig, maar mijn papa is Franstalig, maar wij spreken ook Nederlands tegen mijn papa, want hij moet ook Nederlands leren, want we gaan verhuizen en ginder spreken ze allemaal Nederlands”
“Ik vind het eigenlijk ook wel positief dat ze ook leren omgaan met andere culturen. Als ge in een school komt, waar er eigenlijk meer op taal gericht gewerkt wordt, dan hebben zij daar ook voordeel mee”

Guido Vandebrouck, directeur: “De doelstelling voor ons luidt eigenlijk een zodanig grote ouderbetrokkenheid te creëren, door heel wat activiteiten, dat alle drempels weg zijn, zodanig dat we in vertrouwen kunnen werken aan die kinderen die ons toevertrouwd worden”

“Het belangrijkste dat ik samen met de leerkrachten in onze school vind, is dat het kind centraal staat. Het is een heel stereotiep gezegde, maar dat proberen we waar te maken. Dat kind of die kleuter moet zich goed voelen in de kleuterschool. We proberen alle vaardigheden die in een kind zitten naar buiten te krijgen. De ene is taalvaardig niet zo sterk, maar het kan heel goed zijn dat een kind op sportief niveau heel sterk is, of in andere dingen. En als we dat uit een kind naar boven kunnen halen, dan kunnen we het andere daar ook op enten”

Kris Vanrusselt, sportleraar: “Als ze sporten, gaan kinderen veel makkelijker taal vatten, omdat ze daar mee bezig zijn en omdat dat concreet wordt voor hen. Als je in de klas staat en je hebt daar een bordje waar een woord op staat, voor kinderen is dat niet concreet. Door kinderen bewegingen te laten doen, gaan ze dat woord wel koppelen aan die beweging en op het einde van de les weten ze meestal wat omhoog betekent. Uitspreken zal misschien nog iets moeilijker zijn, maar de betekenis van het woord, je probeert toch wel dat ze dat na een les door hebben. Als ze aan het spelen zijn, gaan kinderen niet het gevoel hebben dat ze aan het leren zijn, terwijl ze nu eigenlijk toch met de parachute gespeeld hebben en ze de begrippen omhoog, omlaag, erop en eronder nu weer geleerd hebben vandaag. En ik denk dat het wel plezant is om de kinderen op zo’n manier taal bij te brengen.

Guido Vandebrouck, directeur: “We zien dat wij heel sterk moeten werken naar ouderwerking toe en dat wij samen met de ouders onze kinderen moeten opvoeden.”
“We willen een openheid creëren. En openheid voor ouders, dat wil zeggen, ze mogen in de klas komen, ze mogen heel veel vragen.”

[Een moeder:] “Ik kom mee volgen wat mijn kinderen doen en met wat ze bezig zijn op school."

Luc Bagusat, kleuterleraar: “Het contact met de ouders is voor ons heel belangrijk. Zo leren zij ook wie wij zijn als leerkracht.”

Guido Vandebrouck, directeur: “In het begin was dat pottekijkers in huis halen, niet meer alleen in de klas zijn. We hebben al vlug gemerkt dat als we ouders in de klas hebben, de gewone klaswerking normaal doorgaat en dat die ouders hun best doen om zo intens bezig te zijn dat we eigenlijk geen pottenkijkers kregen, maar dat we een steun hadden in de klaswerking. Ouders van de ene kant zien dat we zinvol bezig zijn en goed bezig zijn met de kleuters. Voor de eigenwaarde van de kleuters is dat ook heel belangrijk. ‘Mijn mama komt in de klas meehelpen.’, ‘Mijn papa komt meehelpen.’ ”

Ria Gregoor, kleuterleidster: “Hier, met ons publiek, hebben we het altijd moeilijk om de mensen warm te maken om met de kinderen naar de bibliotheek te gaan en daarom hebben we nu de klasbibliotheek ingericht.”

Monique Weckx, zorgjuf: “Dan mogen de kindjes een boek kiezen in de klas en dat gaat dan mee naar huis. In dat boek steken wij een blad. Ze duiden erop aan of ze het boek fijn vonden of niet fijn en ze maken een tekening en de vader of de moeder moet dan dat boek vertellen.”

[Een moeder]: “Wij gaan regelmatig naar de bibliotheek, maar ik heb gemerkt dat dit systeem beter gaat, met de school. Dus boeken van de school uit gaan veel beter dan boeken zelf gaan halen in de bibliotheek” “En de juffrouw zit daar dan weer achter. ‘Hoe was uw boek en wat is er weer gebeurd?’ En dan moeten ze kunnen antwoorden, dus dan moeten ze extra aandachtig zijn en in de bibliotheek moeten ze dat niet zo. Dan willen ze daar niet zo veel aandacht aan besteden.”

Ria Gregoor, kleuterleidster: “Om in het eerste leerjaar mee te kunnen volgen, is het toch wel heel belangrijk dat ze de Nederlandse taal goed beethebben, want anders lukt het daar zeker niet.”

Guido Vandebrouck, directeur: “Onze GOK-werking is onze schoolwerking en we evalueren er elk jaar opnieuw de sterkte-zwakteanalyse van en dan toetsen we dat aan de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen die we moeten bereiken. Daar leren we weer uit voor het volgende schooljaar.

Als ik een tip mag geven, wees met uw GOK-plan zo concreet mogelijk, zo eenvoudig mogelijk. Neem niet te veel hooi op je vork. En daarom de leuze: stap voor stap. Probeer die waar te maken. Dat is met vallen en opstaan. Wees zeker niet bevreesd als je dingen fout doet. We hebben in het proces tijd genoeg om bij te sturen. En dat doen we dan ook.”

 

Scène 6 [bel]

 

Scène 7 (0:20:38 – 0:22:31)

Kris Van den Branden, steunpunt GOK: “Scholen worden geconfronteerd met heel veel eisen, met vragen vanuit de maatschappij, van de ouders, van de overheid, van hun koepels. Scholen worden geconfronteerd met leerplannen, met eindtermen, en hebben vaak het gevoel van ‘Goh, wij moeten alles oplossen’. En dus prioriteiten stellen betekent dat je toch voor een stuk als school keuzes maakt. Dat je zegt van ‘Waaraan willen wij werken?’ ”

Luc Van Acker, directeur: “Ik denk dat het heel belangrijk is, dat je eigenlijk regelmatig – en daarmee bedoel ik jaarlijks – je toch wel eens bevraagt, blijft stilstaan bij ‘Wat ik nu aan het doen ben, loopt dat?’ Gezien de prioriteiten die je gesteld hebt. Het is heel belangrijk, denk ik ook, om prioriteiten op middellange termijn te gaan stellen. ‘Waar zit ik nu in die middellangetermijnplanning?’ ”

Mieke Van Hecke, hoofd onderwijsnet: “Hoe controleer je, gedurende het traject, het feit dat scholen, leerkrachten, klassen werken aan dat GOK-plan. Wat daar de kritiek is die ik vanuit leerkrachten en vanuit scholen wel hoor is ‘Als het niet op papier staat, doen we het niet.’ ”

Gilbert Ryckmans, directeur: “Wie zichzelf op een degelijke manier geëvalueerd heeft, zal altijd kleine tekorten, of zaken die nog moeten verbeteren, vinden. Een zelfevaluatie kan ook aanleiding zijn om de doelstellingen die je had verder uit te diepen.”

Patrick Weyn, hoofd onderwijsnet: “We hebben ons altijd een beetje verstopt achter de idee van, goh, we zijn met mensen bezig en het effect van ons proces is veel moeilijker te meten dan in een bedrijf. Daar kan je winst meten bijvoorbeeld. ’t Is pas de laatste jaren dat men ook termen in onderwijs gaat hanteren als leerwinst.”

 

Scène 8 (0:22:31 – 0:30:41)

Nic Balthazar: “Van hoekenwerk tot loopdictee, scholen zijn vaak heel enthousiast en creatief in het opzetten van allerlei acties. Vreemd genoeg soms zelfs iets te veel acties. Want nu blijkt dat met minder te doen, je soms meer bereikt, zolang je acties sober, haalbaar zijn en je duidelijk prioriteiten stelt. In het volgende filmpje zullen we zien dat het belangrijk kan zijn om de juiste doelen te stellen, om op die manier de juiste acties te verzinnen, om dan resultaatgericht tewerk te gaan.”

[Ouders en leerlingen]
“Ik vind de school heel goed”
“De klasjes zijn klein, waardoor ze veel aandacht krijgen”
“De juffrouwen zijn ook heel goed”
“En er is heel veel overleg tussen de leraressen van de eerste, tweede en derde kleuterklas”
“Ze kijken naar de kinderen als ze bijvoorbeeld niet meekunnen of zoiets”

Maaike Franco, zorgcoördinator: “Heel veel van de problemen die we tegenkomen beginnen in de thuissituatie, dus we hadden zoiets van als we dat al van in de kleuterklas kunnen aanpakken en we proberen ouders mee te krijgen en bewust te maken, dan gaan we misschien als de kinderen in het 4de, 5de, 6de komen, die problemen niet meer zo vaak meemaken en kunnen we proberen dat al een stukje preventief aan te pakken”

“En dan is er de vraag gekomen van de ouders, omdat ze dan bezig waren: ‘Waar komt mijn kind mee naar huis van school. Ah ja, mijn kind praat dikwijls over die bever en die uil. Wat is dat nu eigenlijk juist? Willen jullie dat nu eens uitleggen aan ons, die Axenroos, want we willen daar eigenlijk graag ook zelf op inspelen, als die kinderen daar mee afkomen.’ ”

“Als je op school een bepaalde methodiek hanteert, dan is dat wel goed als je dat naar de ouders ook brengt en dat het doorloopt, zowel op school als thuis - of toch enigszins - omdat je dan een lijn hebt en dat is voor het kind ook makkelijker. Dan zijn dat geen twee verschillende dingen en loopt dat gewoon door.”

Sofie Kerckhove, directeur: “Dankzij de GOK-cyclus is er op onze school toch heel wat beweging gekomen. Een voornamelijk pluspunt vind ik daar ook aan dat de leerkrachten lager onderwijs en de kleuterleidsters nauwer zijn gaan samenwerken. Vroeger had je het vakje kleuteronderwijs en het vakje lager onderwijs, maar bij ons, meer en meer, komt het woord basischool eigenlijk aan bod. Alles loopt eigenlijk door elkaar.”

Maaike Franco, zorgcoördinator: “De kleuterleidsters en kleuterklassen staan sowieso veel verder dan het lager op het gebied van differentiatie, sociaal-emotionele problemen, hoekwerk, contractwerk. In plaats van te zeggen: ‘We sturen de mensen van het lager op nascholingen’, hebben we gezegd: ‘Laat ons eens in de eigen school gaan kijken’ en we zijn begonnen met het eerste leerjaar. Die leerkracht is naar een kleuterklas gegaan, heeft daar een paar dagen gewoon meegedraaid en heeft gezien van ‘Ah ja, hoekwerk, dat kan ik eigenlijk ook in mijn klas doen. Dat gaat zo en zo. Contractje, ah ja, dat kan zo.’ ”

[Leerlingen]
“Ik heb alleen nog maar mijn toets begrijpend lezen gedaan en ik moet nog alles doen. Ik denk dat ik eerst hoofdrekenen ga doen en dan al de rest”
“Taal is eigenlijk heel deze kant en rekenen is heel die kant en buiten is het wereldoriëntatie en knutselen”
“Meestal mag je met twee werken in de WO-groep. Hoe rustiger, hoe beter we kunnen nadenken.”
“Taalbeschouwing, krantenkoppen, dat doe je dan het eerst. Dan moet je daar een ‘1’ bij zetten en als je dat dan af hebt, moet je een blij gezichtje tekenen (als je dat leuk vindt) of een triestig gezichtje (als je het niet zo leuk vindt).”
“Hier staat ‘ik’ en hier staat ‘leerkracht’ en waar bij ‘ik’ kruisjes staan, moet je het zelf verbeteren. Maar de juffrouw verbetert alles nog een keer.”
“Ja, want er zijn er zo die fouten laten staan. Die dat niet zien.”
“Ik ben aan het verbeteren. Als je het juist hebt moet je een punt zetten en als je het mis hebt, moet je het doorstrepen en er de juiste uitkomst bij zetten.”
“Ik vind dit de leukste manier om te leren. De juf helpt je ook wel veel. In de klas doe je niet veel. Dan luister je meer naar de lessen en hier kan je zelfstandig werken.

Sofie Kerckhove, directeur: “Contractwerk gebruiken wij vooral om te differentiëren. Wij hebben drie niveaus. Wij vinden het belangrijk dat de kinderen allemaal de basisleerstof krijgen. Kinderen met moeilijkheden doen dan misschien even een stap terug om wat leerstof te herhalen. We vinden het ook belangrijk voor de kinderen die wat vlugger zijn, dat zij nog uitdagende taken krijgen. Voor hen zitten er iets moeilijkere oefeningen in of soms ook meer in aantal.”

Maaike Franco, zorgcoördinator: “We hebben dus een aantal genormeerde testen die we afnemen, zowel in de kleuterklas als in het lager en aan de hand daarvan kijken we dan welke leerlingen dringend remediering nodig hebben en welke leerlingen misschien preventief al moeten beginnen bijwerken, zodanig dat ze niet verder afzakken. En dan kijken we ook – dat eerste was meer op individueel gebied - op globaal gebied per klas, over de hele school, of er soms problemen zijn die bij iedereen min of meer voorkomen en of dat misschien aan de methode ligt. Is er een stukje leerstof dat niet genoeg voorkomt, waardoor dat het zwakker scoort op een test? Op dat gebied gebruiken we die ook.”

[Leerling]
“Ik help de kinderen van het eerste leerjaar om te lezen. Ieder op beurt moet een blokje lezen en als je een foutje maakt, moet ik kloppen op de bank en dan gaan ze het verbeteren.”

Liliane Ceulenaere, zorgjuf: “Zij helpen ons nu. Wij hebben nu toevallig drie kinderen in het tweede leerjaar al die aan het niveau 9+ zitten en zij helpen ons nu met de leerlingen van het eerste leerjaar die in niveau 1 zitten.”

[Leerling]
“Zij zijn allemaal van het eerste leerjaar en ik ben van het tweede leerjaar. Ik zit nu al in niveau 9+ en ik lees niet meer. Ik speel nu leerkracht voor niveaulezen.

Liliane Ceulenaere, zorgjuf: “’k Heb wel de indruk dat ze dat heel graag doen en ze zijn daar ook heel enthousiast over. Zij doen dat graag. ’t Zijn ook goeie lezers uiteraard en zij helpen wel heel goed mee”

Maaike Franco, zorgcoördinator: “Wij hebben met het hele team een visie uitgedacht. Dat is niet de visie van de directie of mijn visie. Ik vind dat je geen dingen kunt opleggen aan iemand als die daar niet achter staat. Dus alles wat er in ons GOK-plan staat, hebben de leerkrachten zelf gekozen en ze staan er achter. En dan alleen werkt dat ook.. En dan draagt iedereen dat ook.”

Sofie Kerckhove, directeur: “We zitten nu midden in de tweede GOK-cyclus, maar het is zeker niet de bedoeling dat het stopt. Voor ons blijft GOK iets dat verder loopt, dat verder blijft doorgaan, want er zijn een aantal acties op touw gezet waar wij toch goeie resultaten van hebben en wij vinden het belangrijk om daar verder aan te werken. Ook ons zorgbeleid is eigenlijk beter uitgewerkt, uitgediept. Dat heeft GOK toch wel teweeg gebracht.

 

Scène 9 [bel]

 

Scène 10 (0:30:46 – 0:32:35)

Gilbert Ryckmans, directeur: “ Het realiseren, op de klasvloer, van gelijke onderwijskansen voor alle kinderen, dat is een traag proces”

Luc Van Acker, directeur: “Zorgbeleid, dat moet je waarmaken in de klas. En wie staat er in de klas? Dat zijn de leerkrachten en dat zijn de leerlingen. En de interactie tussen die beide wordt mede ondersteund door het didactisch handelen in de klas. En het is dus heel belangrijk dat je het zorgbeleid gaat vertalen in een concreet didactisch handelen in de klas”

Urbain Lavigne, hoofd onderwijsnet: “Die leerlingen waarvan we zien, kijk, die worden thuis niet al te zeer gestimuleerd om te studeren en die om allerlei andere redenen gedemotiveerd geraken, die moeten een ander soort onderwijs kunnen aangeboden krijgen, waarbij ze meer gemotiveerd worden om die leerstof onder de knie te krijgen.”

Annemarie Desmyttere, inspecteur: “Heel veel scholen hebben een waaier van acties uitgeprobeerd, maar ze hebben zelf ook geformuleerd in de zelfevaluatie dat het te veel was. Te veel voor de leerkracht, te veel voor het beleid, want uiteindelijk moeten scholen alles proberen kwaliteitsvol te doen en als je veel dingen doet, dan kun je dat niet tot op de bodem gaan uitspitten en gaan analyseren of dat nu eigenlijk wel effect heeft.”

Patrick Weyn, hoofd onderwijsnet: “Waar we nog niet zo lang mee bezig zijn, is wat er buiten dat leerproces gebeurt: het coachen van leerlingen, het opzetten van een oriëntatiebeleid, participatie van leerlingen, participatie van ouders, allerlei andere dingen die mee rond dat kernproces – en dan bedoel ik het klasproces, het leerproces in de klas – hangen”

 

Scène 11 (0:32:35 – 0:41:39)

Nic Balthazar: “Gelijke onderwijskansen geven aan iedereen is natuurlijk geen zaak van een paar individuele leerkrachten, wel teamwork voor de hele school. Perfecte uitdaging dan ook voor de directie om hun hele team erbij te betrekken en samen te houden. In het volgende fragment, zien we hoe gelijke onderwijskansen eigenlijk een deel kan zijn van de globale kwaliteitzorg van de hele school en zo het hele team raakt.”

[Leerlingen]
“De lessenroosters zijn wel goed”
“Soms vragen ze te veel van je. Ze denken dat je op de universiteit zit of zo.”
“Ze doen goed hun best om onder de leerlingen te komen”
“Ze moeten meer de leerlingen aan’t woord laten en zo en dat we meer weten over hun zelf ook, vind ik”
“Ik denk wel dat als je actief kan meewerken in de les, je meer je leerstof onder de knie gaat hebben”

Hugo Gevaert, directeur: “Bedoeling van de stuurgroep is het kwaliteitsbeleid van de school uitwerken, kwaliteit bewaken via zelfevaluatie en ook initiatieven nemen op het vlak van vernieuwing, onderwijsvernieuwing”

Gilbert Deketelaere, zorgcoördinator: “In onderwijs is alles belangrijk en toch is het even essentieel om te kiezen in de dingen die je doet. Je kunt gewoon niet alles aanpakken, maar het is belangrijk om daar een selectie in te maken. Weten wat je belangrijk vindt op school, waar de prioriteiten liggen en daarvoor gaan”

Hugo Gevaert, directeur: “’t Is zo dat we ofwel binnen de groep zelf aan reflectie doen over de werking van verschillende aspecten van de school, anderzijds maken we hier ook afspraken om bepaalde zaken te bevragen bij leerkrachten, bij leerlingen, en dan worden de resultaten hier besproken.”

[Leerlingen]
“Steam Team, da’s het team op deze school die zorgt voor leerlingenbegeleiding”
“Zelf heb ik ook al zo een paar keer probleem gehad en die mensen kunnen je wel echt helpen”

Gilbert Deketelaere, zorgcoördinator: “Op welk manier komen leerlingen nu met Steam Team in contact? Leerlingen kunnen spontaan, individueel een leerlingbegeleider of een coördinator aanspreken over gelijk welke zorg die ze dan hebben. Het is ook mogelijk dat wij, vanuit de leerlingenbegeleiding, leerlingen aanspreken. Dat gebeurt vaak na overleg binnen de klassenraad. Dat de klassenraad zich zorgen maakt over een bepaalde leerling en dat de klassenraad vraagt dat Steam Team die leerling zou spreken.”

Hugo Gevaert, directeur: “De begeleiding van leerlingen bestaat vooral in gesprekken, in dialoog voeren. De leerling staat natuurlijk centraal, maar het spreekt voor zich natuurlijk dat we ook contact hebben met de ouders en soms, afhankelijk van de problematiek, met externe diensten”

Gilbert Deketelaere, zorgcoördinator: “Leerlingen die door Steam Team begeleid worden, kunnen ook hun mening zeggen over de begeleiding: of de begeleiding op tijd kwam, hoe die liep, hoe het contact was met de leerlingbegeleider. Dat is een kant. Aan de andere kant doen we ook een soort van effectenmeting. We proberen na te gaan of onze inspanningen binnen leerlingenbegeleiding ook wat opbrengen en hoe de leerling dat aanvoelt, die evolutie. Dus op die manier kunnen we nagaan of die begeleiding ook effect heeft. Hiernaast doen we ook nog iets anders. We proberen na te gaan of de begeleiding ook effect heeft op resultaten. Da’s een redelijk nieuw onderzoek en de gegevens hebben we nog niet allemaal. We bekijken het aantal vakken onder de 60% voor de begeleiding en na de begeleiding en we zullen nagaan binnenkort of we daar een tendens zien.”

Pascale Vanhaecke, lerares: “Vorige week heb ik enquêtes uitgedeeld in de klas, waarbij ze via multiple choice hun eigen mening over mij en mijn manier van lesgeven konden geven, maar ik heb de gegevens wel nog niet verwerkt. ’t Is eigenlijk ook belangrijk om te weten dat het beeld dat je van jezelf hebt een beetje zou kloppen met de uitkomst van die enquêtes. Eens dat goed zit, dan is het belangrijkste dat we weten wat de werkpuntjes zijn naar volgend jaar toe.”

Gilbert Deketelaere, zorgcoördinator: “De school besteedt nogal wat aandacht aan kwaliteitsontwikkeling en zelfevaluatie is een van de belangrijkste aspecten daarin. Actieonderzoek is een gestructureerde vorm van zelfevaluatie. In dat actieonderzoek betrekt de leerkracht verschillende participanten. Dat kunnen ouders zijn, de directie, collega’s, maar dat zullen bijna sowieso altijd leerlingen zijn. Dus de leerlingen worden betrokken in dat zelfevaluatieproces.”

Pascale Vanhaecke, lerares: “Ik vind het zelf aangenaam. Het kan confronterend zijn. Het geeft je eventjes het gevoel van *slik*, maar ik denk dat je er, naar de toekomst toe, toch heel veel mee kan doen en dat is eigenlijk ook de bedoeling, dat je niet blijft in datzelfde straatje sukkelen, dat je leert en een betere leerkracht wordt uiteindelijk.”

Christine Holvoet, lerares: “Wij hebben dus twee klassen van onze sociaaltechnische wetenschappen, elk van achttien leerlingen, samengevoegd. We hebben dat bewust gedaan, omdat we echt één groep willen maken.”

[Leerlingen]
“Ik heb liever dat er groepswerk is, want, ja, je zit dan meer bij je vrienden. Je kunt dan uitleggen aan elkaar. Ik vind dat leuker”
“Ik denk dat als het groepswerk is, je meer onthoudt, dat je beter leert”

Christine Holvoet, lerares: “Dat is een aanpassing, want eigenlijk ben je als leerkracht gewoon dat je alleen voor de klas staat, wat nu niet het geval is. Wij kunnen soms met zes of zeven mensen samen staan. ‘k Vind het ook heel positief. Waarom? Omdat je brengt iets aan en een andere leerkracht vult aan. In het begin hadden we moeite. De leerlingen dachten, oef, niet opletten, het is geen leerstof. We doen maar even iets. Wij proberen hen duidelijk te maken dat wij aan veel zaken werken met hen. Ze weten nu ook dat de onderwerpen een stuk uit hun theoriegedeelte komen. Alleen is het nog altijd moeilijk soms. Er staan geen punten op. Het is een attitudevorming. En dat is nog altijd moeilijk om over te brengen naar andere mensen.”

Gilbert Deketelaere, zorgcoördinator: “Werken aan gelijke onderwijskansen is een onderwijsvernieuwing. We hebben hier op school de indruk, dat het wel eens verder zou kunnen gaan dan wat men zou kunnen denken. GOK is veel meer dan een aantal actiepuntjes uitvoeren. Ik denk dat GOK doordringt – of door zou moeten dringen – tot de kern van onderwijs, namelijk de klas zelf, naar het lesgeven, naar het omgaan, maar het gepast omgaan met leerlingen en het gepast omgaan met leerlingen die allemaal verschillend zijn.”

Hugo Gevaert, directeur: “De belangrijke winst die we nu al gehaald hebben, is dat leerkrachten meer en meer zijn gaan inzien dat leerlingen inderdaad verschillen van elkaar en dat je zoveel als mogelijk moet proberen in te spelen op die verschillen. Wat we voor de toekomst moeten bewaken, is dat we inderdaad die leerwinst bij zoveel mogelijk leerlingen gaan verhogen en dat we toch goed in de gaten houden dat dit gebeurt. Je kunt inderdaad als school heel veel acties op touw zetten, maar je mag de primaire doelen niet uit het oog verliezen.”

 

Scène 12 [bel]

 

Scène 13 (0:41:43 – 0:44:14)

Kris Van den Branden, steunpunt GOK: “Die scholen waar je echt een team van leerkrachten en directie hebt, dat samen nadenkt, samen kijkt naar leerlingen, samen kijkt naar hun onderwijs, samen de vraag stelt van ‘Ja, waar zijn wij mee bezig? Hoe doen onze leerlingen het? Hoe kan het beter?’ - die gaan het veel makkelijker vaak hebben om tot echte prioriteiten te komen.”

Gilbert Ryckmans, directeur: “Ik ken bijvoorbeeld heel wat scholen waar het als volgt verloopt: de doelstellingen worden door het team aangebracht, na de beginsituatie. En nadien werken zij de doelstellingen uit. Het grote voordeel daarvan is dat zij er 100% bij betrokken zijn en niet een plan krijgen dat kant-en-klaar is, door anderen gemaakt, en dat dan als het ware opgedrongen is.”

Bob Loisen, pedagogisch begeleider: “Het slechtste wat we zouden kunnen hebben, dat is – en dat moeten we echt bewaken – dat het zorgteam een bepaalde snelheid gaat hebben en de klastitularissen, van het schoolteam, die snelheid nog niet halen en dat er een kloof ontstaat. Dat is het slechtste wat we kunnen hebben, dus we moeten dat echt bijeen houden. We moeten vanuit het schoolteam de zaken benaderen, de werkpunten vastleggen, de doelstellingen vastleggen en ook de taken verdelen”

Kris Van den Branden, steunpunt GOK: “Daar waar je wat minder teamwerking en teambetrokkenheid hebt, zie je vaak dat leerkrachten soms op hun eigen eilandje hun eigen keuzes zitten te maken. De ene leerkracht stelt die prioriteit, werkt bijvoorbeeld heel hard aan taalonderwijs, maar de andere leerkracht in de andere klas of een andere leerkracht van een ander vak werkt vooral aan intercultureel onderwijs en die twee dingen gaan dan niet altijd op elkaar ingrijpen. Wat voor mij daar een heel belangrijke factor in is, is teambetrokkenheid, overleg, samenwerking tussen leerkrachten, echt als team je verantwoordelijkheid opnemen naar die gelijke onderwijskansen

Bob Loisen, pedagogisch begeleider: “Het is in een aantal scholen een knelpunt. Scholen waar de deur van de klas nog te veel gesloten blijft. Maar ik kan toch tal van voorbeelden opnoemen waar klasoverschrijdend gewerkt wordt, waar de GOK-leerkrachten samen in de klas een aantal activiteiten met de kinderen doelbewust opzetten, om die kinderen meer kansen te geven, om die kinderen meer met elkaar te laten praten en dies meer, dus … Dit is niet in een algemeen antwoord te vatten, maar het is eerder schoolspecifiek dat we dat gaan moeten bekijken.”

 

Scène 14 (0:44:15 – 0:49:26)

Nic Balthazar: “Bij het werken aan gelijke onderwijskansen is het natuurlijk belangrijk om te beseffen dat geen enkele school een eiland is op zichzelf. In de volgende reportage zien we hoe er als het ware kan genetwerkt worden tussen de verschillende scholen onderling, maar ook met de centra voor leerlingenbegeleiding en we horen wat daar allemaal de meerwaarde van kan zijn.”

[Vergadering CODI: coördinerend directeurs]
“Collega’s, goedemorgen en welkom op onze maandelijkse CODI-vergadering.”
“Eind juni is het decreet goedgekeurd en in september konden de scholen al beginnen met die beginsituatieanalyse. Ze waren daar niet vertrouwd mee. De begeleiders waren er ook niet vertrouwd mee. De inspectie heeft nog een beetje meer tijd gekregen om het zich eigen te maken. Maar hoe dan ook, dit was zwemmen in water dat we nog niet onmiddellijk verkend hadden. Wie krijg je mee in zo’n operatie?”

Erik Olbrechts, coördinerend directeur: “Mensen laten samenwerken doe je vooral, denk ik, door die heel veel vertrouwen en heel veel ruimte te geven.”

[Vergadering CODI:] “De directeur en hier een scholengemeenschap die mee wil en dan heb je GOK-verantwoordelijken. Gelukkig de scholen waar een beetje een GOK-team is en niet de eenzame fietser van die GOK-coördinator die daar zit en die dan jong, ambitieus is, maar die moet dan die hele groep gaan meekrijgen. Dat is soms niet te doen.”

Erik Olbrechts, coördinerend directeur: “Dat lukt dankzij het feit dat we dat van in het begin eigenlijk heel hard gepromoot hebben, binnen de school zelf mensen laten samenwerken. Maar zeker ook overstijgend op het vlak van de scholengemeenschap proberen we zo veel mogelijk dingen met elkaar te overleggen voor we er beslissingen in nemen.”

[Vergadering CODI:] “Men zit overal het warm water altijd opnieuw uit te vinden, maar als men in Zaventem daar interessante dingen rond ontwikkeld heeft, waarom zouden we daar ook niet van genieten? Van zo’n vorm van netwerking. Maar in de eerste plaats, zo’n scholengemeenschap, dat is een interessant netwerk eigenlijk om uit te wisselen.

Erik Olbrechts, coördinerend directeur: “Dat hebben we structureel willen verankeren door zo’n GOK-werkgroep op het niveau van de scholengemeenschap op te richten. We zijn een van de weinige scholengemeenschappen waar dat gebeurt, maar daar hebben we alleen maar voordelen van ondervonden. Specifiek in onze situatie omdat een aantal scholen wel GOK-uren hadden gekregen en andere niet. Die samenwerking functioneert heel goed, omdat de mensen inderdaad daar dat vertrouwen in elkaar hebben en dat het niet zo is dat de ene school zegt ‘Ik heb geen uren dus ik doe niet mee’. Integendeel, spreek maar gerust van een kruisbestuiving wat dat betreft, hoor.”

[Vergadering CODI:] “Vele GOK-scholen stellen vast dat ze door hun zorgzame opstelling nog meer probleemleerlingen aantrekken. Dat is, denk ik wel, een vrees. De vrees voor pedagogische zelfmoord. Eigenlijk, hoe beter dat men het doet, hoe meer dat de ouders zeggen: ‘Daar wordt mijn kind goed opgevangen. Da’s tof.’ ”

Helena Geeurickx, directeur: “Wij weten eigenlijk niet veel van de lagere scholen, dus verleden jaar is er in dat team van die GOK-werking gezegd: ‘Waarom gaan we niet eens ons licht opsteken in de lagere school?’ En dan heeft onze GOK-verantwoordelijke dit jaar in september een afspraak gemaakt met de zorgcoördinator van de lagere school en daaruit hebben we dit jaar dus zeer veel geleerd van ‘ah ja, da’s een leerling die zo moet aangepakt worden en daar is dat al voor gedaan in de lagere school’ en dan kan hierop verder gewerkt worden.”

Kristine Debrucker, GOK-coordinator: “’t Is ergens een bevestiging ook van hen van ‘Allez, uiteindelijk het werk dat wij gedaan hebben, daar is interesse voor om dat op te volgen in het secundair onderwijs dan’ en de bedoeling zou nu ook zijn dat op het einde van het schooljaar kort even wordt weergegeven van kijk, zij hebben het gehaald in die richting of niet. Dan zien zij ook een mooi verloop, van: hoe is’t eigenlijk afgelopen met dat kind.”

Erik Olbrechts, coördinerend directeur: “Uit het meest recente doorlichtingsverslag dat wij hier in onze scholen kunnen voorleggen, blijkt dat wij heel goed ingebed zijn in heel het sociale netwerk - en dan bedoel ik gemeentebestuur, ocmw, de basisscholen, of die nu van het vrije of het gemeentelijk net zijn - en daar werken we ook wel aan.”

[Vergadering CODI:] “Ik ben ervan overtuigd dat de GOK met alle zwakke plekken die er ook waren – we hebben moeten leren – als motor gediend heeft voor een aantal waardevolle acties. Zeker in de scholen die GOK-uren hadden. Maar ook in de scholen die gekeken hebben, in de buurt zaten of die mee rond de tafel zaten en zeggen: ‘Tiens, da’s interessant eigenlijk om te doen.’ Het komt niet van mij. ’t Is van Bram Vermeulen. Maar GOK heeft zeker "een steen in de rivier verlegd". Daar ben ik absoluut zeker van.”

 

Scène 15 [bel]

 

Scène 16 (0:49:30 – 0:51:41)

Jean-Louis Leroy, inspecteur: “Er zijn scholengemeenschappen die onderzoeken gestart zijn, om de scholen die tot de scholengemeenschap behoren te bevragen over hoeveel leerlingen ze hebben - GOK-leerlingen, maar bijvoorbeeld ook leerlingen met leerstoornissen, dus allerlei types van leerlingen. En ja, daar valt het dan soms op dat bepaalde scholen eigenlijk bijna op nul zitten voor dat type leerlingen, terwijl andere eigenlijk een heel grote groep moeten onthalen. En het zou wel goed zijn om op basis van zo’n onderzoeken toch een dialoog tot stand te brengen, zodanig dat alle scholen zich daar eigenlijk voor wapenen.”

Urbain Lavigne, hoofd onderwijsnet: “Elke school moet de weerspiegeling zijn van de bevolking die daar in de omgeving woont. Het kan niet zijn dat in een gemeente waar vijftien procent allochtonen wonen een witte school is waar nul procent allochtonen aanwezig is.”

Mieke Van Hecke, hoofd onderwijsnet: “Maar ’t is niet alleen een schools probleem, ’t is niet alleen een onderwijsprobleem. Het is ook een sociaal-economisch, maatschappelijk probleem. Maar de enige plaats waar al die kansarme gezinnen terecht komen, is de school. Dus ik zou vragen en zeer nadrukkelijk – eigenlijk willen eisen – dat al diegenen die bezig zijn met dat probleem te willen oplossen – en dan denk ik aan welzijn, dan denk ik aan integratie, dan denk ik zelfs aan alle andere domeinen: cultuur, jeugdwerking – dat men de school zou gebruiken als hefboom om ook binnen de gemeenschap, binnen die leefgemeenschap van die kansarmen, om daar eigenlijk winst te boeken.”

Bob Loisen, pedagogisch begeleider: “Er zijn scholen die toch wel zo stilletjes aan een netwerk uitgebouwd hebben, waar bijvoorbeeld in de school regelmatig een schoolbetrokken overleg samenkomt, waar de zaken besproken worden en waar ook de partners, zoals schoolopbouwwerk, uiteraard CLB – maar dit geldt voor alle scholen – maar evengoed mensen van basiseducatie, die Nederlands geven bijvoorbeeld aan volwassenen, bij betrokken worden.”

 

Scène 17 (0:51:41 – 0:56:16)

Nic Balthazar: “Ten slotte, wat te doen als het niet meteen wil lukken? Wanneer scholen onvoldoende expertise in eigen huis hebben, dan is het soms de kunst om ze op een ander te gaan zoeken: de juiste ondersteuning, nascholing of begeleiding. Maar de juiste vraag stellen is soms moeilijker dan het lijkt. In de volgende reportage zien we hoe sommige scholen een echt ondersteuningsbeleid hebben gevoerd, met gissen en soms met missen.”

Greet Lison, directeur: “De vraag is welke visie je ontwikkelt op je school. En dat is allemaal niet zo evident. Want wat is een visie? Hoe doe je dat? Het is ook een groei, maar uiteindelijk is het van een kind moet iets kunnen leren door iemand die in staat is om het kind tot leren te brengen. Dus uiteindelijk moet je een aanbod hebben, moet je methodieken kiezen. Wij proberen meer analytisch te werken, meer leerkracht als begeleider, ondersteuner, motivator, zoeker samen met de kinderen, vertrekken van zinvolle gehelen. Dat is eigenlijk een beetje de idee die hier leeft.”

“Je moet geloven in kinderen. Als je dat niet hebt, vergeet het. Maar je moet ook soms eens een bril opzetten om naar de binnenkant van het kind te kijken, om te zien wat er daar leeft. En dan bedoel ik nog niet alleen zo emotioneel, maar vooral ook leren ontdekken van talent, omdat dat heel belangrijk is. Elk van ons heeft een specifiek talent en heel veel binnen onze schoolmuren komt dat niet tot uiting, want de perceptie van een kind is niet hetzelfde als wat een kind echt inhoudt. En dat is eigenlijk een taak die ook diepere competenties vraagt van de leerkrachten.”

“Je hebt een klasje voor je en sommige kinderen lijken uitnodigender dan andere kinderen. Dan is het op zich al moeilijk voor een leerkracht om zeggen: ‘Kijk, ik doe voor elk kind dezelfde inspanning’. En als je dan ergens een gelijkheid zou willen naar voor halen, dan is het wel dat een leerkracht voor elk kind op deze school die inspanning moet doen.”

“We houden vooral ook rekening met de opleiding van de leerkrachten. Dat is eigenlijk een basis, waardoor ons aanbod heel degelijk kan zijn en waarin we natuurlijk moeten groeien, want alleen de opleiding, dat volstaat niet. Het moet ook blijvend leren zijn en een blijvende deskundigheid nastreven voor het team.”

Tania Timbremont, zorgcoördinator: “Wij zijn zeker niet bang om externe ondersteuning in te roepen hier op school. Het is eigenlijk ook een zorg van het kernteam van de zorgcoördinator om klasoverschrijdende problemen te detecteren. Als wij merken dat zoiets voorkomt, trachten wij dat in een hulpvraag te formuleren, die we dan richten tot deskundige navormers. Sinds twee jaar hebben we als school recht op twee zorgdagen en is dat het ideale moment om een teamgerichte navorming te geven, waarop professionele navormers ons dan komen bijscholen in verschillende thema’s.”

Greet Lison, directeur: “Ik zou heel graag hebben dat de kinderen echt succeskinderen worden. Dat kan natuurlijk enkel als ook de leerkrachten zich zeer goed voelen en als zij waarde krijgen en zij ook bevestigd worden in datgene wat ze elke dag doen.”

 

Scène 18 [bel]

 

Scène 19 (0:56:21 – 0:58:40)

Luc Van Acker, directeur: “Schooloverstijgend zijn er mensen aangeduid die de scholen ondersteunen in het ontwikkelen van het zorgbeleid op de school. De ervaring die wij hebben, is dat deze mensen zeer degelijk werk verrichten, de scholen echt enorm ondersteunen, maar dat zij op dit moment wat overbevraagd zijn. Dus ik zie daar al een eerste knelpunt.

Als tweede knelpunt zie ik, dat wij soms ook overstelpt worden met een enorm aanbod aan initiatieven die door diverse instanties genomen worden om het zorgbeleid op de school te ondersteunen en daar denk ik dat het iets gestroomlijnder moet gebeuren.”

Bob Loisen, pedagogisch begeleider: “Als een school echt een gewoonte heeft om goed na te denken over wat de prioriteiten zijn, en die ook jaarlijks kan vastleggen of bijvoorbeeld in het kader van GOK voor een periode van drie jaar kan uittekenen, dan kunnen zij hun vragen naar begeleiding, naar nascholing ook helderder formuleren. Dan weten zij van ‘wat wij nu gaan vragen, past eigenlijk in het concept wat wij voor dit schooljaar of voor de volgende twee schooljaren willen uitstippelen.’ ”

Kris Van den Branden, steunpunt GOK: “Ik denk dat goede nascholing en begeleiding altijd heel sterk rekening houdt met de context van de school. Dat begeleiding en nascholing moet proberen in te spelen op wat leerkrachtenteams en directie van een bepaalde school echt bezighoudt. Dan hebben leerkrachten ook het gevoel van dit gaat over ons. Wij worden hier aangesproken. Dit is geen mooi verhaal dat gaat over een abstracte school of een gemiddelde school die zich in een andere provincie bevindt. Nee, hier wordt rekening gehouden met wie wij zijn en hoe wij onderwijs zien en hoe wij onderwijs vormgeven. Hier worden wij aangesproken en hier kunnen wij zelf iets mee doen.”

Patrick Weyn, hoofd onderwijsnet: “Als je dit niet naar competentievorming toe gaat in teamverband brengen, dan heeft dat geen enkel effect. Het is als die leerkracht die drie dagen op nascholing is geweest, terugkomt in de school en zegt: ‘Ik heb hier fantastische dingen geleerd.’ Drie dagen later luistert niemand nog naar hem, want ‘daar is hij weer met wat hij geleerd heeft’. Waarom? Da’s geen onwil. Da’s gewoon, de mensen die dat niet gevolgd hebben, spreken dezelfde taal niet en voelen niet aan waar het over gaat."

 

Scène 20 (0:58:40 – 1:06:25)

Nic Balthazar: “We hopen dat deze praktijkvoorbeelden en analyses u hebben laten zien dat in Vlaanderen heel wat scholen kampen met soortgelijke, voor u waarschijnlijk herkenbare problemen, maar ook dat heel veel van die problemen met creativiteit en inzet opgelost kunnen worden. Ook op het niveau van het centrale onderwijsbeleid, zeg maar in Brussel, maar ook in Parijs, staat gelijke kansen in het onderwijs natuurlijk hoog op de agenda. Vandaar dat we tot slot nog een paar beleidsmensen aan het woord willen laten. Ik ben zeker dat die ook binnen uw team de discussie nog even stevig zullen aanzwengelen.”

Frank Vandenbroucke, onderwijsminister: “Wel, we halen schitterende resultaten in dat OESO-onderzoek. Da’s natuurlijk niet de verdienste van de minister. Dat is het resultaat van inzet van leerkrachten, van directies, van leerlingen ook. Da’s eigenlijk heel goed, maar tegelijkertijd zien we wel dat de kloof tussen onze leerlingen die het goed doen en de leerlingen die het minder goed doen, in Vlaanderen ook wel heel groot is. Een stuk groter dan in heel wat andere landen. En het is niet omdat de top zo hoog zit – die zit hoog – maar het is ook omdat de basis eigenlijk laag zit en we gaan de volgende jaren hoe dan ook de lat voor diegenen die onderaan zitten in deze resultaten toch wat hoger moeten proberen te leggen.”

Andreas Schleicher, onderzoeker: “De meest succesvolle onderwijssystemen, zoals Finland in Europa, Japan in Azië en Canada in Noord-Amerika, combineren een hoge onderwijskwaliteit met een goede spreiding van de leerkansen. Dat is dus niet noodzakelijk een tegenstelling. Het aanmoedigen van kwaliteit kan de gelijke kansen zelfs versterken.”

Frank Vandenbroucke, onderwijsminister: “Ik vind dat we met onze peilingsproeven, waarbij we onderzoeken of leerlingen inderdaad de eindtermen halen in bepaalde vakken, scholen als het ware een spiegel moeten voorhouden. Een spiegel waarin ze zichzelf zien, waarin ze de resultaten kunnen bekijken die ze boeken, waarin ze kunnen vaststellen, met de feiten in de hand, of hun leerlingen inderdaad de eindtermen halen of niet, maar tegelijkertijd ook een spiegel waar je door kan kijken – je hebt zo van dat spiegelglas waar je door kan kijken – naar de resultaten van andere scholen, waarbij het niet mijn bedoeling is van rankings te gaan maken van scholen. Ik wil niet naar Britse toestanden. Maar ik vind wel dat scholen zouden moeten hun eigen resultaten kunnen vergelijken met resultaten van scholen die in min of meer dezelfde situatie werken, zodanig dat ze daaruit kunnen leren. Eventueel leren uit wat andere scholen doen om resultaten bij henzelf te verbeteren.”

Jan Van Damme, onderzoeker: “Scholen trekken een verschillend publiek aan en dat heeft natuurlijk een verregaande invloed en we moeten daar rekening mee houden bij het geven van schoolfeedback. Ik zou ook zeggen dat scholen niet alleen kunnen vergelijken met andere scholen, maar ook met zichzelf. Scholen voeren een bepaald beleid. Ze willen werk maken van een bepaald probleem of een bepaald thema. Wel, ik vind dat scholen moeten de kans krijgen om te zeggen: ‘Tiens, heeft dat ook effect op de leerlingen? Als we daar een paar jaar rond werken, wat zijn de gevolgen bij de leerlingen?’ Nog verdergaand denk ik dat we zelfs moeten kunnen aangeven, met betrekking tot een bepaalde groep leerlingen zoals kansarmen of allochtonen, zijn scholen daarvoor precies goed of niet goed. Blijven ze daar achter tegenover een andere school met een dergelijk publiek? En ten slotte denk ik dat we uiteindelijk zullen moeten kunnen nagaan welk effect scholen hebben op de leerwinst.”

Frank Vandenbroucke, onderwijsminister: “Wel, het gaat inderdaad om de resultaten die scholen boeken met hun leerlingen. Ik denk niet dat het volstaat om te zeggen: ‘We zijn goed bezig, want we volgen alle voorschriften, we volgen goede didactische methodes, we proberen ons goed te organiseren’. Da’s heel belangrijk, maar uiteindelijk moeten we ons voortdurend blijven afvragen of die methodes, of die organisatie, of die aanpak ook wel de resultaten oplevert die we wensen en natuurlijk moeten we daarbij rekening houden met de soort van leerlingen die in een school zit. Als ik zeg dat resultaten belangrijk zijn, dan gaat het eigenlijk over de vooruitgang die je boekt in een school. Dan gaat het over de meerwaarde die een school betekent voor die leerlingen die daar zitten. Dan gaat het over de leerwinst. Niet alle scholen werken met dezelfde leerlingen natuurlijk. Dat moeten we goed weten, maar het concrete resultaat dat men bereikt met leerlingen, daar moeten we inderdaad toch wel meer aandacht aan gaan geven.”

Andreas Schleicher, onderzoeker: “De mate waarin het succes van jonge mensen niet afhankelijk is van hun sociaal-economische achtergrond, is het criterium voor de beoordeling van gelijke kansen. Zo meten we kansengelijkheid af in internationale vergelijkingen.”

Frank Vandenbroucke, onderwijsminister: “Als je goed onderwijs wil bieden is er natuurlijk op de eerste plaats een vraag naar middelen, een vraag naar centen. We willen er inderdaad voor zorgen dat er voldoende centen zijn en ook dat het geld daar terechtkomt waar dat het meeste nodig is. Da’s de reden waarom we een heel nieuw financieringssysteem zullen ontwerpen voor het hele leerplichtonderwijs, waarbij we om te beginnen de lat gelijk gaan leggen tussen alle scholen, ook over de onderwijsnetten, maar meer dan vroeger nog zullen rekening houden met de soort van leerlingen die over de vloer komt in een school, want sommige scholen hebben voor de soort van leerlingen waar zij mee te maken hebben toch wel meer ondersteuning nodig, ook meer werkingsmiddelen, dan andere scholen. De lat gelijk leggen, dat willen we absoluut, maar de lat gelijk op basis van de noden en de behoeften van de leerlingen.”

Andreas Schleicher, onderzoeker: “Een informatierijke omgeving creëren, waarin scholen actief samenwerken en leraren van en met elkaar leren, is misschien wel het belangrijkste kenmerk van een goed functionerend onderwijssysteem.”

Kristien Arnouts, inspecteur-generaal: “Een beleidskrachtige school is een school die zelf haar keuzes maakt. Dat wil zeggen, zij bepaalt voor een stuk – binnen de opdracht die ze heeft – een eigen meerwaarde. Ze zal dat proberen door een stukje terug te kijken en te reflecteren – in welke mate hebben we het goed gedaan – maar ze zal het vooral doen met de blik vooruit, naar de toekomst. In algemene zin is dus een beleidskrachtige school, een school die haar eigen doelen heeft en in staat is om de weg naar dat doel continu te verbeteren. Een beleidskrachtige school, wat is de betekenis dan binnen het kader van gelijke onderwijskansen? Ik zou zeggen, dat de overheid in dit geval een tweede baken heeft uitgezet. Het eerste baken is een baken dat de school kiest. Dat kiest ze voor een deel afhankelijk van haar eigen leerlingenpubliek. Is het een technische school? Willen ze vooral een culturele school zijn? Dat zijn haar bakens. De overheid zet daar een tweede baken bij: Wat je ook aan doelen nog kiest, je moet er voor zorgen dat in jouw school alle leerlingen dezelfde kansen krijgen om die doelen te halen.”

Frank Vandenbroucke, onderwijsminister: “Wel ik vind dat we ambitieus moeten zijn in Vlaanderen. We kunnen ook ambitieus zijn. We bieden uitstekend onderwijs aan. Dat blijkt ook uit die internationale PISA-resultaten. Maar de ambitie zou moeten zijn dat we dat uitstekend onderwijs aanbieden aan alle kinderen en dat we daar voor alle kinderen het beste van maken. Realisme betekent natuurlijk dat je wel goed weet dat kinderen niet allemaal met dezelfde talenten geboren worden en ook niet allemaal met evenveel talent – bij sommige kinderen kost het wel meer moeite om die talenten aan te boren – maar er toch proberen voor iedereen het beste van te maken, zonder de naïeve idee dat alle kinderen evenveel talent hebben, maar toch proberen de lat voor iedereen zo hoog mogelijk te leggen en bij alle kinderen hun talent terug te vinden. Dat moet de ambitie zijn. Maar realistisch wat betreft de mogelijkheden, realistisch ook met betrekking tot wat je kunt eisen van een school. Dat is ook niet eindeloos.”

 

Scène 21 - Uitleiding (1:06:25 – 1:07:01)

Nic Balthazar: “Dit was ons verhaal over gelijke onderwijskansen. Een verhaal dat natuurlijk niet af is. Maar zoals gezegd, deze film wil eigenlijk enkel een aanzet zijn tot een heel levendig debat binnen uw school, binnen uw schoolteam, over kwaliteitsonderwijs voor alle leerlingen. Voor de rest wordt uw stem ook heel graag gehoord tot in Brussel, dus bij deze mag ik u uitnodigen om die op dit adres (www.ond.vlaanderen.be/gok) te laten horen. Voor de rest heel veel succes met wat u doet. Het is heel heel belangrijk werk.

 

naar boven