Dalende trend resultaten wiskunde basisonderwijs vraagt om verder onderzoek


Persbericht kabinet Vlaams minister van Onderwijs, 8 juni 2017


Uit nieuwe peilingsresultaten voor de eindtermen wiskunde bij leerlingen uit het zesde leerjaar basisonderwijs blijkt dat leerlingen de eindtermen van een aantal thema’s onvoldoende beheersen. Kwetsbare jongeren (lagere socio-economische status, thuistaal niet Nederlands)  blijven het moeilijker hebben om de eindtermen te behalen. Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits wil een diepgaand onderzoek naar de leerlingenprestaties voor wiskunde in het basis- en secundair onderwijs.

De peiling wiskunde werd in mei 2016 afgenomen bij 5421 leerlingen uit 190 scholen verspreid over heel Vlaanderen. Het peilingsonderzoek beoogt twee zaken. Ten eerste wil het de prestaties van leerlingen voor een bepaald leergebied of vak in kaart brengen en onderzoeken welke factoren een invloed hebben op die prestaties. Op die manier krijgen we een goed beeld van de sterktes en zwaktes van het Vlaams onderwijs. Daarnaast moet het scholen informeren over hun leerlingenprestaties zodat ook daar, op schoolniveau, aan de onderwijskwaliteit kan worden gewerkt. De scholen krijgen een feedbackrapport waarin hun resultaten vergeleken worden met die van soortgelijke scholen.

De peiling wiskunde ging na of de leerlingen uit het zesde leerjaar basisonderwijs de eindtermen voor dit leergebied beheersen. Na voorgaande peilingen in 2002 en 2009 was het de derde maal dat de eindtermen wiskunde in het basisonderwijs werden gepeild. De peiling bestond uit 13 toetsen waarin verschillende onderdelen uit het leergebied wiskunde aan bod kwamen. Een eerste deel van 8 toetsen had betrekking op het werken met getallen en bewerkingen, een tweede deel bestaande uit 5 toetsen ging over meten en meetkunde. Daarnaast was in deze peiling ook een praktische proef opgenomen waarbij leerlingen moesten tonen hoe goed ze kunnen schatten en meten en hoe het gesteld is met hun ruimtelijke oriëntatie. In vergelijking met de vorige afname in 2009 gaan de resultaten er voor bijna alle toetsen rond getallen en bewerkingen op achteruit. Enkel voor de toetsen over hoofdrekenen en over problemen oplossen met getallen en bewerkingen blijven stabiel. Voor meten en meetkunde zien we enkel voor de toets over problemen oplossen met meten en meetkunde een achteruitgang.

 

  • Resultaten getallen en bewerkingen’.

Voor getallen en bewerkingen vinden we de beste resultaten voor de toets over getalwaarden en gelijkwaardigheid en de toets over problemen oplossen: drie op vier leerlingen behalen de eindtermen. Voor de andere toetsen over getallen en bewerkingen behaalt de helft tot twee derde van de leerlingen de eindtermen. De keerzijde van die vaststelling is dat een derde tot de helft van de leerlingen voor die toetsen het vooropgestelde niveau niet bereikt.

  • Resultaten ‘meten en meetkunde’:

Voor meten en meetkunde behalen de leerlingen de beste resultaten op de toets over ruimte en ruimtelijke oriëntatie en de toets over geld en kloklezen: bijna negen op tien leerlingen behalen de eindtermen. Voor de toets over referentiepunten en de toets over problemen oplossen met meten en meetkunde behalen zes op tien leerlingen de eindtermen. Voor het werken met betekenisvolle herleidingen is het resultaat minder goed: slechts 4 op de 10 van de leerlingen behaalt de eindtermen.

  • Resultaten ‘Praktische proef’:

Het beschrijven van een route lukt de leerlingen vrij goed. Bij het schatten van een oppervlakte uitgedrukt in vierkante meter laten leerlingen zich eerder leiden door de vorm van het object dan door een echte schatting van de oppervlakte.

Meisjes behalen over vrijwel de hele lijn minder vaak de eindtermen dan jongens. Ook is er een samenhang tussen de sociaal-economische status (SES) van een gezin en de kans om de eindtermen te bereiken. Leerlingen uit een gezin met een lage SES behalen minder vaak de eindtermen dan leerlingen uit een gezin met een hoge SES. De prestaties hangen voor bijna alle toetsen samen met het cultureel kapitaal van het gezin. Leerlingen die thuis veel boeken hebben (meer dan 100) presteren beter. Leerlingen presteren ook beter naarmate hun ouders positiever staan tegenover wiskunde.

Op vraag van Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits wordt door het departement Onderwijs en Vorming in het najaar in samenwerking met de onderwijsinspectie, Ahovoks en de pedagogische begeleidingsdiensten een werkseminarie georganiseerd waar concrete aanbevelingen zullen worden geformuleerd om de wiskundekennis in het basis- en secundair onderwijs te verbeteren. Ook zal er verder onderzocht worden hoe het komt dat de resultaten voor wiskunde dalen. Gaan scholen anders om met de eindtermen wiskunde? Hoe bereidt de leraar zich voor op het geven van een wiskundeles? Worden leerkrachten in de initiële opleiding voldoende voorbereid op het geven van wiskunde en krijgen ze voldoende mogelijkheden tot verdere professionalisering?

Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits: “De dalende trend in de resultaten van de peiling wiskunde bij leerlingen uit het basisonderwijs mogen we niet negeren. Dit vraagt om verder onderzoek. Elke dag spannen vele leerkrachten zich in om leerlingen de nodige wiskundekennis bij te brengen. Toch zien we in deze peiling dat de vooropgestelde doelen niet altijd voldoende bereikt worden. Met het strategisch plan voor het basisonderwijs en de versterking van de lerarenopleiding nemen we maatregelen om de kwaliteit van ons onderwijs te behouden en te versterken. Wiskunde speelt daarin een cruciale rol want een stevige basiskennis wiskunde is noodzakelijk voor de persoonlijke ontwikkeling en verdere studies en om goed te functioneren in de samenleving.”

Naar boven