“Als de goesting er is om elkaar te vinden, dan wordt veel mogelijk”

Barbara Delft, Elke Verhaeghe en Erwin Scheltjens over academies, amateurkunsten en de alternatieve leercontext

Het is een van de blikvangers van de hervorming: voortaan kunnen leerlingen in het dko een stuk van hun opleiding bij een amateurkunstenvereniging of -organisatie afwerken. “Aan de Lierse academie krijgen muzikanten al jaren die mogelijkheid,” legt coördinator Erwin Scheltjens uit. “We hebben de brug geslagen, dat is een erg boeiende oefening geworden,” zeggen Barbara Delft en Elke Verhaeghen van De Federatie. Een gesprek.

Door Lode Delputte

Dankzij de hervorming van het deeltijds kunstonderwijs kunnen academies vandaag voluit de verbinding zoeken met middenveld en samenleving. Een van de opvallendste mogelijkheden van het niveaudecreet is dat leerlingen een deel van hun opleiding voortaan buiten het klaslokaal of atelier kunnen afwerken - een kans die 1600 mensen in Vlaanderen al te baat genomen hebben.
Dat gaat bijvoorbeeld als volgt: een prille tiener leert trompet spelen op een stedelijke muziekschool maar woont zelf even verderop, in een dorp met een inspirerende harmonie. Dan is de zogenaamde alternatieve leercontext gesneden koek voor hem. De individuele les zal onze leerling nog altijd aan de academie volgen. Voor het vak groepsmusiceren kan hij naar het plaatselijke ensemble, dat een deel van de leerplandoelstellingen op zich neemt. Niet alleen versterken beide leeromgevingen elkaar, als het een beetje meezit is de trompettist in één ruk door vertrokken voor een jarenlang traject.
Voor je passie gaan

“Het nieuwe decreet stelt de kunstenaar centraal,” zegt Barbara Delft, aanspreekpunt voor de amateurkunsten bij De Federatie, die het sociaal-cultureel volwassenenwerk en de amateurkunsten vertegenwoordigt. “Die mensen moeten van jong tot oud voor hun passie kunnen gaan. Of het hen om de artistieke ambitie te doen is dan wel om het gemeenschapsleven en samenspel, dat is een persoonlijke keuze. Wat telt, is dat de muziekbeoefenaar zijn diploma behaalt en zijn ding kan doen zonder dat bovenaf opgelegde structuren hem parten spelen.”
“De omgekeerde weg gaat even goed,” zegt Erwin Scheltjens, tot vorig schooljaar directeur aan de Stedelijke Academie voor Muziek, Woord en Dans in Lier, en inmiddels onder meer coördinator alternatieve leercontexten aan diezelfde instelling. “We zien muzikanten die al jaren lid zijn van een vereniging, die vroeger ooit aan de academie les gevolgd hebben maar nu pas de tijd vinden om weer bij die opleiding aan te knopen. Dat kan zonder problemen, omdat wij die mensen de garantie bieden dat ze voor het vak groepsmusiceren bij hun vereniging kunnen blijven. De ervaring hebben ze al. Ze kunnen zich dus louter toeleggen op het aanscherpen van hun talent.”

Scheltjens weet waarover hij spreekt: hij is behalve coördinator ook dirigent van het Harmonieorkest van de KU Leuven. “Aan onze academie hebben we het decreet niet afgewacht om de alternatieve context uit te rollen. We zijn er al 15 jaar mee bezig. Lier is de hoofdschool maar heeft vestigingen in zeven gemeenten in de omgeving. Doordat wij niet in elke vestigingsplaats het hele aanbod konden opzetten, hebben we andere oplossingen gezocht. We zijn gaan kijken welk muziekleven er in de verder afgelegen kernen bestond en of dat kwaliteitsvol genoeg was om een deel van onze opleidingen dáár onder te brengen. Dat is de goede strategie gebleken.” 
Elke Verhaeghe, die graag de link legt tussen de amateurkunsten en het dko, formuleert het zo: “een goed project heeft gangmakers nodig, mensen die bruggen bouwen en tot een gemeenschappelijk verhaal komen. Als de goesting er is, dan kun je veel doen.”

Eigen vakjargon en taalregister

Verhaeghe, die jaren lang actief was binnen het Forum voor Amateurkunsten, geeft toe dat het 'een zoektocht' is geworden. “Plots lag er een nieuw decreet op tafel waarbij kunst in de vrije tijd duidelijk naar waarde werd geschat. Maar amateurkunsten en dko hanteerden elk wel een eigen vakjargon en taalregister. We hebben ons dus moeten inwerken in een materie die niet meteen de onze was, elkaar moeten vinden, raakvlakken ontdekken. Dat is een heel boeiende oefening geworden.”     

Maar dan nog: hoe doe je dat concreet, elkaar vinden?
Verhaeghe: “Het decreet is een cruciale hefboom geweest in de stroomversnelling. De alternatieve leercontext was officieel een feit, dus wilden we dat aangrijpen om er iets moois van te maken. Het Forum is snel tot actie overgegaan en heeft zelf contact opgenomen met het Departement Onderwijs. We wilden weten waar de directeurs met open blik en wilskracht zaten, en hoe we met die mensen tot een gemeenschappelijk kader konden komen. Toegegeven, het denkwerk en het zoeken naar de correcte formulering gingen een beetje als de processie van Echternach, nu eens enkele stappen vooruit, dan weer eentje achteruit. We wilden de punten identificeren waar we elkaar kruisten. Eén daarvan was uiteraard de passie voor kunst. Maar ook dan moet je mensen stimuleren, want iederéén is druk bezig. En ja, soms heb je een krachtige persoonlijkheid nodig die de deur misschien wat forceert. Waar ik heel blij en dankbaar voor ben, is dat we, in een sector die de onze niet was, heel wat pioniers hebben gevonden die bereid waren om de alternatieve leercontext mee op te pakken, die in de buitenwereld te verdedigen en ambassadeur te zijn.”

Mensen musiceren op verschillende plaatsen

We ontmoeten Erwin Scheltjens, Elke Verhaeghe en Barbara Delft in een pand aan de Schaarbeekse Gallaitstraat, waar naast enkele Vlaamse cultuurorganisaties ook de Federatie onderdak gevonden heeft. Een nuchtere kantoorzaal met een onopvallende plant in de hoek, maar de koffie geurt en de formaliteiten maken instant plaats voor een leerrijk gesprek.
Zo zal Scheltjens het uitgebreid over Lier hebben, maar niet vooraleer hij ook zijn Leuvense werk heeft toegelicht. “Het orkest dat ik er dirigeer, is echt wel representatief voor de dynamiek die het decreet wil aanmoedigen: daar zitten mensen in uit Vlaanderen en Nederland; velen zijn lid van een vereniging in hun woonplaats, van Limburg tot West-Vlaanderen, en zij brengen volop input mee van het thuisfront. Dat werkt kruisbestuivend. Het Harmonieorkest is dan ook een dwarsdoorsnede van misschien wel 30, 40 amateurorkesten.”
Mensen musiceren nu eenmaal op verschillende plaatsen, en van die veelheid aan in elkaar hakend potentieel wilde de hervorming een troef maken.
“Zo is het een typische situatie dat leerkrachten aan de academie daarnaast ook dirigent zijn bij een amateurvereniging in de regio,' vervolgt Scheltjens. 'Dat leidde tot de absurde vaststelling dat een leerling pakweg op vrijdagavond om zes uur een vak aan het volgen was bij leerkracht x of y, en dat hij diezelfde leerkracht twee uur later in de plaatselijke harmonie tegen het lijf liep. Al die combinaties en overwegingen hebben er mee toe geleid dat wij de stap gezet hebben om structureel te gaan samenwerken.”

Uiteraard: de academie verstrekt onderwijs en is gehouden aan een hele reeks doelstellingen. Het kon niet de bedoeling zijn dat leerlingen onder de kwaliteitsnormen door gingen door louter voor gezelligheid te kiezen. Meer zelfs, impliciet hoopte de Lierse academie het muzikale niveau van de amateurverenigingen te verhogen, en eerlijk is eerlijk: niet alle lokale orkesten en koren bleken even geschikt of waren vragende partij voor samenwerking.
“Maar we hebben ons soepel opgesteld,” zegt Scheltjens. “We weten heus wel dat een vereniging haar aanpak niet van de ene op de andere dag kan omgooien. Toch moesten we ook strikt zijn. En ja, sommige groepen verkozen hun eigen opleidingen te behouden en met niet-gekwalificeerde dirigenten door te gaan. Daar is op zich niets mis mee, maar als academie die een alternatieve leercontext voor ogen heeft, kun je daar niet mee aan de slag. Aan de andere kant had je ook verenigingen die heel graag met ons wilden samenwerken, en net van die kans gebruik gemaakt hebben om een vernieuwing die al jaren afgehouden was, door te voeren.”

Maar ook daar: zulke dingen gaan niet vanzelf, je moet actief met elkaar gaan praten.
Scheltjens: “Ja en neen, want op het moment dat je aan tafel gaat zitten moet je partner – en dat zijn vaak de dirigenten van de amateurverenigingen - meestal niet meer overtuigd worden. Uiteraard leg je dan een aantal dingen uit: het pedagogisch project van je academie, je visie op leren enzovoort. Je moet voor die mensen ook een vast aanspreekpunt hebben op school, materiaal ter beschikking stellen en vragen dat zij hún deel van de opleiding evalueren.”

Interessante gesprekken

Scheltjens: “Je moet het als directie vooral niet te formalistisch willen doen. Wij zullen de mensen uit de amateurverenigingen bijvoorbeeld niet vragen op vakvergaderingen aanwezig te zijn. En het is ook duidelijk dat de alternatieve leercontext maar een deel van de opleiding is. De eindverantwoordelijkheid ligt bij de academies.”

Toch is het niet uitgesloten dat sommige amateurverenigingen extra werklast vrezen, of?
Scheltjens: “De meeste verenigingen worden goed geleid, hoor. De coördinator van een academie en de dirigent van een vereniging kunnen best interessante gesprekken voeren over het leerproces van een leerling. Dat gaat er erg professioneel aan toe en hoeft niet te wegen op de werking van de hele vereniging. Vergeet niet dat wat wij doen in de les groepsmusiceren, pedagogisch maar weinig verschilt van de aanpak binnen de verenigingen.”
Delft: “Je kunt het misschien nog het best vergelijken met een stage die bij een bepaalde opleiding hoort. Daar komt een student ook terecht in een andere omgeving en op die stageplaats moet ook iemand evalueren, net zoals er op de school een coördinator mee voor instaat.”

Om een onderwijshervorming goed en wel tot alle actoren te laten doordringen, zijn een jaar of vijf nodig, schatten onze interviewees. Het fijne nieuws voor het niveaudecreet is dat de weerstand, een klassieker bij elke vernieuwing, na anderhalf jaar grotendeels weggeëbd is en iedereen de voordelen van de nieuwe structuur vandaag inziet.
Heeft de hervorming ook een positief effect op het niveau van de kunstenaars? Heeft het decreet daar al een win-win opgeleverd? “Ik droom ervan om het wederzijds versterkende effect te meten,” zegt Verhaeghe. “Ik wil, met de cijfers in de hand, het brede publiek kunnen overtuigen. Want we zijn zeker en vast een nieuwe richting ingeslagen, er gaat onmiskenbaar een stimulans uit van goede samenwerking.”

Alleen, en Erwin stipte het al aan, niet alle verenigingen staan te trappelen van ongeduld.
Verhaeghe: “En daar moet je je bewust van blijven. Je moet je dat als een continuum voorstellen, met aan de ene kant groepen die in de eerste plaats voor gemeenschapsvorming gaan, heel sociaal bezig zijn dus; en aan de andere kant plekken waar de artistieke kwaliteit vooropstaat en die bijna professioneel werken. We vinden het normaal dat de lat hoog ligt voor verenigingen die de alternatieve leercontext in hun project meenemen. Maar die anderen moeten óók kunnen zijn wat ze willen zijn. Het veld is erg breed en daarbinnen moet ieder de eigen kwaliteiten en kansen kunnen uitspelen.”

Experimenteren

We hebben het heel erg over muziek. Loopt het alternatieve leren in alle domeinen van het deeltijds kunstonderwijs even gesmeerd?
Delft: “De situatie in Lier illustreert het natuurlijk treffend: eigenlijk was de alternatieve leercontext daar organisch al aanwezig, ook al werd het niet met zoveel woorden gezegd. Het vak groepsmusiceren maakte het leerlingen vrij makkelijk om bij een vereniging aan te sluiten. De weg die sinds de invoering van het decreet is afgelegd, slaat dan ook vooral op de muziekopleidingen. Er zijn andere afdelingen, zoals woord, waar het in deze fase nog wat experimenteren is doordat de context verschilt en de opleidingen anders in elkaar zitten. Maar ook daar kunnen leerlingen een deel van hun traject bijvoorbeeld bij een theatergezelschap afwerken. Uit onderzoek blijkt dat beeldende kunsten het domein zijn met het grootste aantal beoefenaars met een dko-opleiding. De vertaalslag naar een alternatieve leercontext wordt er nochtans nog wat minder gemaakt. Beeldende kunsten zijn dan ook minder vaak georganiseerd in verenigingen en groepsverband.”
   
“Wij zijn natuurlijk sterk gefocust op koren en orkesten,” valt Scheltjens in, “maar als daar vraag naar is, kunnen onze leerlingen ook bij toneelverenigingen terecht. Bij dans is het anders: hoe verder je daar naar de kern van de opleiding gaat, hoe meer je ziet dat die binnen ons eigen dko plaatsvindt. De vraag naar een alternatieve leercontext is er bijna onbestaand. Bij de beeldende kunsten zal het ook wel zo zijn, dat als je beeldhouwt, je dat vooral doet in het atelier van je academie. Maar dat betekent niet dat er geen samenwerking zou zijn. Integendeel, je kunt elkaar vinden op groepstentoonstellingen, binnen allerlei leeractiviteiten op maat, in het circuit van de voordrachten en noem maar op. In het niveaudecreet zitten heel wat kansen waar amateurkunsten en academie elkaar ontmoeten zonder dat zich dat per se vertaalt in een curriculum.”
“Het is ook niet zo dat het decreet als een eindpunt moet worden gezien,” vult Verhaeghe aan. “De vele ervaringen op het terrein zijn noodzakelijke input voor een mogelijke bijsturing op termijn.”

Maar stel nu: een dj-in-opleiding wil een stuk van zijn parcours buiten de school afleggen. Hoe werkt de alternatieve leercontext in opties die nieuw zijn, of niet per se bij de klassieke amateurkunsten liggen?
Delft: “O, maar binnen de amateurkunsten is een hele evolutie aan de gang, hoor. Sommige verenigingen zijn met slam poetry bezig, andere met urban dance, je hebt de straattekenaars en noem maar op. De stedelijke invloed dringt her en der binnen omdat de negen landelijke amateurkunstenorganisaties sterk van onderuit werken en de praktijken in het veld ondersteunen. Geldt dat voor alle amateurkunsten en contexten? Neen, maar dat hoeft ook niet.”

Scheltjens: “Helemaal akkoord, maar het risico bestaat dat pakweg slam poetry of urban dance in hun eigen wereld blijven. En dat is een alternatieve wereld waar het dko op dit moment nog weinig vat op heeft. Ik ben er zelf ook nog niet uit wat de pistes daar zijn en hoe compatibel dat allemaal is. Ik heb trouwens het gevoel dat de cultuur van een aantal nieuwe sectoren in de amateurkunsten veel meer in het kortstondig en krachtig beleven zit, niet in de lang lopende leerlijn die het onderwijs voor ogen staat. Ik heb de vraag nog niet gekregen, maar als ze komt wil ik er best over nadenken.”
In dialoog gaan

Een van de pistes waar Scheltjens op alludeert, is die van de pop-upkoren, de jongste jaren een heuse hype – zie het succes van Bart Peeters in de Lotto Arena. Alleen: het engagement dat mensen daar nemen, is beperkt in de tijd. Hoe rijm je zoiets met de alternatieve leercontext? Met de regels waaraan academies zijn gehouden?
Ook daar bekijkt de Lierse coördinator de zaak pragmatisch: “Puur formeel zou je kunnen stellen dat zangers in pop-upkoren misschien even veel uren bezig geweest zijn als mensen die in het dko het vak groepsmusiceren volgen. Iemand die 15 concerten lang drie uur op een podium heeft gestaan met een pop-upkoor, ja, die heeft al iets verwezenlijkt.”

Maar gesteld dat een leerling u straks inderdaad vraagt: 'mag ik een deel van mijn opleiding in zo'n koor doen', wat vertelt u die dan?
Scheltjens: “Dan kan ik twee dingen doen. Of ik wijs het af, maar dan gaat die persoon tóch naar dat pop-upkoor en wil hij toch die ervaring meenemen; of ik probeer in dialoog te gaan. Kunnen we een keer een auditie bij zo'n koor bijwonen? Mogen we eens komen kijken met onze dirigenten in de opleiding koordirectie? Er zijn meerdere opties waar je niet meteen neen tegen hoeft te zeggen.”

Ook mensen die met volstrekt nieuwe dingen bezig zijn moeten de weg naar de academie vinden. Daarom zetten ze in Lier Broeihaard op, een kunstenfestival dat ontstaan is vanuit het cultuurcentrum en dat alle talenten een podium geeft, wat ze ook kunnen, van beeldende kunst tot, inderdaad, slam en noem maar op. De academie stelt de ruimte en techniek ter beschikking, en zo ontstaat er samenwerking die niet in de eerste plaats via de alternatieve leercontext loopt.

Urban dance aan de academie: af en toe kan het, maar die optie inrichten doen jullie niet.     
Scheltjens: “Het decreet geeft ons die mogelijkheid wel, maar laat ons eerlijk zijn: niet voor elke opleiding bestaat voldoende markt. Niet elke academie moet elke opleiding willen organiseren. Wij doen geen urban en geen flamenco omdat wij sterk zijn in klassiek en hedendaags.”

Je eigenheid bewaren, heet dat.
Verhaeghe: “Daar wil ik het belang van het bovenlokale niveau graag bij aanstippen. We moeten wat vaker uitzoomen. Als één entiteit echt alles doet of aanbiedt, verliest ze aan kracht. Daar kun je regionaal gaan denken. Als je op die schaal dingen realiseert en daarin complementair kunt zijn, dan zal een gemotiveerde leerling heus wel moeite doen om naar een gespecialiseerde opleiding in de regio te gaan. We mogen ons niet vastpinnen op de grenzen van een gemeente ; op het regionale of intergemeentelijke niveau kun je erg vernieuwend zijn en frisse ideeën een plaats geven. Zoveel mobiliteit hebben mensen wel.”  

Levenslang effect

Het decreet wil ook een nieuw, diverser publiek aanspreken. Volgens het traditionele beeld zitten in de amateurkunstenverenigingen vooral witte, soms wat oudere beoefenaars, hoewel bijvoorbeeld fanfares en harmonieën de laatste vijftien jaar een sterke vervrouwelijking en verjonging kennen... Ook in andere disciplines zien we een gevarieerde instroom.
Scheltjens: “Het lokale muziekverenigingsleven komt heel erg uit de verzuiling. Je had inderdaad katholieke, liberale en socialistische verenigingen. Die lijnen lopen tot vandaag nog door, het is een verleden dat je niet in één, twee, drie afschudt. En ja, daar zit traditioneel een wit publiek. Maar het is zeker niet zo dat die verenigingen de deuren niet willen opengooien.
Alleen: het blijkt gewoon moeilijk om daar een nieuwe instroom te krijgen, daar ga ik niet flauw over doen, dat is de realiteit. Een harmonie-orkest heeft een bepaalde traditie die niet altijd meteen aansluiting vindt bij veranderende maatschappelijke trends. Maar kijk naar hedendaagse dans of nieuwe verenigingen die met heel andere thema's bezig zijn, en je krijgt een compleet ander beeld.”

Verhaeghe: “Je moet het plaatje ook in zijn geheel bekijken. Heel wat jongeren, onder wie veel mensen met een andere etnisch-culturele achtergrond, vinden de weg naar de amateurkunsten, denk maar aan dans en popmuziek. Het is ook straf dat zowel aan de academies als bij ons de instroom maar blijft stijgen. We hebben een bijzonder rijk landschap. Het enige waar we op moeten letten, is dat we er ons niet in opsluiten. We moeten alert blijven en kijken naar wat anders, vernieuwender en beter kan.”

Delft: “Door alle bruggen die geslagen worden, zie je dat ook het reguliere onderwijs veel meer dan vroeger aandacht besteedt aan de kunsten. Als we mensen van jongsaf warm krijgen, dan levert dat een levenslang effect op.”

Scheltjens: “Als de band tussen de kunstacademies en de amateurkunstenverenigingen goed zit, en je krijgt een organische stroom tussen beide, dan heb je iets waar mensen willen bijbehoren. Als vereniging moet je proberen het kritische punt te bereiken waarop je ontzettend relevant wordt voor je omgeving, iets waarvan mensen zeggen: 'daar wil ik lid van zijn!' Want zo werkt het natuurlijk wel: mensen willen samen met anderen iets meemaken dat ze uit zichzelf niet kunnen bereiken. En waar vinden ze dat? Op het punt waar ook academies en amateurkunsten elkaar vinden!”