De academie in een meertalige context

Alles is nieuw in de Sint-Lukasacademie in Schaarbeek. Van het gebouw dat gedeeld wordt met de Sint-Lukas Basisschool en de Sint-Lukas Kunsthumaniora tot de helft van het 15-koppige team, directeur Ellen Janssens incluis. Dat schept kansen. Net als de bijzondere Brusselse context waarin de school opereert: kosmopolitisch en met een dermate meertalig publiek dat het Nederlands weer het bindmiddel wordt. 

Door Veerle Vanbuel

Het is nauwelijks vijf minuten stappen van het Brusselse Noordstation naar de Sint-Lukasacademie in Schaarbeek. Toch kom je bij elke dwarsstraat in een andere wereld terecht: de Aarschotstraat met z’n vitrines en vrouwen, de Brabantstraat vol Turkse en Marokkaanse winkels, de Groenstraat met de academie en nog verder naar boven de wat rijkere buurten. Het is in die smeltkroes van nationaliteiten, gehaaste ambtenaren, gewiekste zakenlui en thuislozen dat de academie haar weg uitzet.

“De laatste jaren zag ik de buurt veranderen”, zegt directeur Ellen Janssens. “Er kwamen veel positieve initiatieven, maar ook schrijnende toestanden. Zo vallen de daklozen vandaag erg op. Als de situatie in het Noordstation verandert, dan voelen wij dat hier ook. En dan heb ik het niet over onveiligheid, dat heb ik hier nog niet ervaren. Je wordt gewoon geconfronteerd met alle trapjes van de maatschappelijke ladder.” Die Brusselse kosmopolitische context zorgt dus voor heel wat uitdagingen. Ellen pikt er vijf uit waarmee de Sint-Lukasacademie volop experimenteert.

1 Een weerspiegeling van de buurt worden

Uitdaging:  Je wil als school en als academie geen wereldvreemd eiland zijn. Hoe maak je contact met de buurt, met de echte Brusselse ketjes?

Oplossing: “We hebben net onze eerste buurtkeuken achter de rug. We nodigen wekelijks buurtorganisaties uit om samen met ons te koken. Ouders, leerkrachten en leerlingen uit de drie scholen ontmoeten er de buurtbewoners en de vele buurtorganisaties. Zo willen we de buurt versterken.

We creëerden ook vijf nieuwe vestigingsplaatsen. Door lokaal en naschools te werken, bereiken we een andere groep kinderen. Nog diverser. In sommige vestigingsplaatsen zal geen enkele leerling thuis Nederlands spreken. Ook de socio-economische achtergrond is daar telkens heel verschillend. Sommige van die kinderen zitten in een heel turbulente fase. Ze moeten omgaan met frustraties, met een moeilijke gezinssituatie, financiële stress… In een academie kan dat allemaal even naar de achtergrond verhuizen. Met beelden kunnen ook die kinderen zich uiten. Ze kunnen zich in de beeldenwereld terugtrekken en terugvinden.”

2 Contact met de ouders maken

Uitdaging:  Voor de meeste ouders is het concept van een academie nieuw. Veel kinderen in de vestigingsplaatsen volgen ook naschools les. Ze gaan nadien naar de opvang. Hoe maak je als academieleraar dan contact met de ouders? 

Oplossing: “We zetten in op veel toonmomenten. Niet om een product te showen, maar om de ouders te tonen wie we zijn en wat we doen. Met een brief -die velen niet begrijpen- maak je dat niet duidelijk. Zo ontwierpen we bijvoorbeeld een groot werk in de stijl van Ensor. De kinderen hebben in elke vestigingsplaats een stuk daarvan gemaakt en het geheel toonden we dan in de academie zelf. Het is een stimulans om naar hier te komen en kennis te maken met een echt atelier. We hebben ook vier Kunstkuurtrajecten lopen, om expertise en tips op het vlak van ouderbetrokkenheid in de dagscholen te verzamelen.”

3 Inschrijvingen organiseren

Uitdaging: Door het beperkte contact met ouders, is inschrijven niet evident. Online blijft voor sommige ouders een te hoge drempel. En hoe communiceer je over betalingen en privacyregels?

Oplossing: “In elke vestigingsplaats experimenteren we. Overal gaat het anders, afhankelijk van de omstandigheden. Soms krijgen we hulp van de bredeschoolcoördinator, soms van een ouder of een zorgjuf die zich engageert. We geven eerst initiatiemomentjes, zij begeleiden dan bij de inschrijving. Zo is er een juf van de naschoolse opvang die onze lessen mee met de kinderen volgt. Ze kent de kinderen goed en ziet de ouders die hen komen ophalen. Ze kan al eens iets vertalen of gerichter kinderen en ouders aanspreken. Zulke mensen zorgen voor een fijne samenwerking en een toegangspoort.”

4 Evalueren

Uitdaging: Kunst is niet mooi of lelijk. Hoe praat je met kinderen over de nuances daarin, over de verschillende bouwstenen en aspecten van hun werk, over hun evolutie als ze die taal nog maar pas ontplooien? 

Oplossing: “Niet door een rapport te schrijven, denken we. Dat vraagt veel werk en levert weinig dialoog op. Veel atelierleraren drukken zich ook het liefst en het best uit in de beeldtaal. Daarom proberen we met speelse pictogrammen een taligheid te ontwikkelen die niet draait om mooi of lelijk, maar de nuances duidelijk maakt en de groei van leerlingen weergeeft. Bovendien wilden we ook dat de evaluatie duidelijk zou maken dat de lessen hier niet vrijblijvend zijn, dat het ook een engagement vraagt.

Voor elke competentie ontwierpen de leraren een pictogram. De knikkers in een zakje staan voor ‘samenwerken’ (ik heb respect voor de andere leerlingen en voor wat ze maken). Het oog betekent ‘het ontwikkelen van een eigen visie’. ‘Materiaal’ (ik ontwikkel materiaalgevoeligheid en experimenteer met de eigenschappen ervan) kreeg het symbool van een handje. Er zijn er ook voor ‘kleur en licht’, ‘compositie’… Uiteraard zijn de te evalueren competenties anders naarmate de leerlingen groeien.

De leraren bespreken hoeveel symbolen een leerling voor elke competentie krijgt. Hoe beter een kind bijvoorbeeld in materiaalgevoeligheid is, hoe meer handjes het ontvangt. Ze bespreken dat vervolgens met hun leerlingen: waar sta je, wat betekent dit symbool ook alweer,  kan je je hierin vinden, vind je dat je meer verdient? De kinderen knippen de symbolen dan uit en maken op de achterzijde van hun evaluatiefiche een collage. Kinderen gaan dus zelf aan de slag om hun eigen ‘rapport’ vorm te geven. Sommigen ordenen, anderen maken er een robot van. Onderaan is er plaats voor korte schriftelijke feedback, groeikansen bijvoorbeeld.

Twee keer per jaar houden de leraren zo’n evaluatie tijdens een ateliermoment. Nadat er een kopie of foto van genomen is, gaat het document naar huis. We proberen dat aan een toonmoment te koppelen. Dan heb je nog de kans om er met de ouders over te spreken. We zien dit zelf ook als een work in progress. De eerste en tweede graad werken er nu een jaar mee en het is de bedoeling om dit uit te breiden naar de hogere jaren en daar uiteindelijk bij een 3D-geheel uit te komen.”

5 Het vakjargon

Uitdaging: Er zijn mensen die hun kinderen inschrijven en zelf ook geïnteresseerd zijn, maar van zichzelf vinden dat ze niet voldoende Nederlands spreken. Een beeldacademie gebruikt dan ook nog eens een specifiek vakjargon. Hoe zorg je dat ook zij kunnen starten of niet afhaken? 

Oplossing: “We zijn met een proefproject lessen ‘Nederlands op de academie’ gestart. We lanceerden een oproep om te weten te komen wie in zulke lessen geïnteresseerd was. We kregen reacties van OKAN-leerlingen, van studenten op Erasmus-uitwisseling, van mensen die nog maar pas in België wonen tot Brusselaars die al 5 talen spreken. Sommigen weten wat een academie is, anderen niet. Wij dachten dat er een homogene groep uit samen te stellen was, maar zo eenvoudige is het dus niet. Er zijn enkele proefsessies geweest. Nu bekijken we met welke partners en voor welke doelgroep we een specifiek traject uit zullen werken. De nood is er in elk geval.”